Definitions Dutch

  • meervoud <vorm van een woord die aangeeft dat het om één persoon of zaak gaat> singulier (sɛ~gylje) mannelijk De eerste persoon enkelvoud van het werkwoord 'zijn' is 'ik ben'. La première personne du singulier du verbe 'zijn' est 'ik ben'. Het enkelvoud van 'kinderen' is 'kind'. Le singulier de 'kinderen' est 'kind'.