Definitions Dutch

  • (tegen iemand)(iets) in de vorm van een vraag (1) zeggen demander interroger sur Hij vroeg of ik hier vaker kwam. Il a demandé si je venais régulièrement ici. Vraag me niet waarom, het is nu eenmaal zo. Ne me demande pas pourquoi, c'est comme ça. Ze keek me vragend aan. Elle m'a regardé d'un air interrogateur. iemand heel veel vragen stellen over iets assaillir/bombarder quelqu'un de questions < dit voeg je toe aan een vraag die je wat minder bot of streng wil laten klinken> si je peux me permettre (de poser la question) Wat kom je hier doen, als ik vragen mag? Que viens-tu faire ici, si je peux me permettre? volgens mij d'après moi vragen of iemand aanwezig is of hoe het met iemand gaat of iemand aanwezig is demander si quelqu'un est là hoe het met iemand gaat demander des nouvelles de quelqu'un Vroeg ze nog naar mij? Est-ce qu'elle a demandé de mes nouvelles?
  • (tegen iemand)(iets) in de vorm van een verzoek zeggen demander interroger sur Hij vroeg mij wat eerder te komen. Il m'a demandé de venir un peu plus tôt.(om) geld vragen demander de l'argent (..) is onvoorzichtig, leidt waarschijnlijk tot problemen (..) revient à chercher les difficultés. Dronken achter het stuur zitten is vragen om problemen. Conduire en état d'ivresse revient à chercher des difficultés.
  • nodig hebben demander réclamer exiger Het trainen van vaardigheden vraagt tijd. L'entraînement aux aptitudes demande/exige du temps.