Definitions Dutch

  • keer dat je bijt coup mannelijk de dents (kud(ə)dɑ~) een beet uit een reep chocola un bâton de chocolat entamé en mordant een vis aan je haak hebben avoir une touche
  • wond door bijten morsure (mɔʀsyʀ) vrouwelijk de beet van een hond la mosure d'un chien kwallenbeet piqûre de méduse