Definitions Dutch

  • persoon of instantie die officieel de macht heeft autorité vrouwelijk het ouderlijk gezag over de kinderen l'autorité parentale exercée sur les enfants het bevoegd gezag van de overheid l'autorité compétente au sein des pouvoirs publics zelfstandig zonder anderen iets te vragen de sa propre autorité/ de son propre chef Ik heb dat op eigen gezag gedaan en ben dus verantwoordelijk. J'ai fait cela de mon propre chef, c'est donc moi qui suis responsable.
  • toestand dat mensen naar je luisteren door je kwaliteiten en prestaties autorité vrouwelijk veel gezag hebben bij je collega's faire autorité/ avoir beaucoup de crédit auprès de ses collègues De overheid heeft steeds minder gezag bij het volk. Le crédit des pouvoirs publics auprès de la population s'érode de plus en plus.