Definitions Dutch

  • opeenvolging van de momenten tussen vroeger en later temps vrouwelijk helemaal geen haast hebben avoir tout le temps geen haast hebben avoir le temps het moet snel gebeuren le temps presse de tijd gaat snel voorbij Le temps file. iets doen waardoor het lijkt dat de tijd sneller gaat tuer le temps dat kan wachten Ça n'urge pas. dat zullen we later weten Qui vivra verra. uiteindelijk gaat al het verdriet voorbij Le temps guérit toutes les blessures. als ik dan nog leef si Dieu me prête vie heel snel en moins de rien als er een periode voorbij is après un certain temps
  • bepaald punt in een opeenvolging van momenten temps mannelijk heure vrouwelijk moment mannelijk op het afgesproken moment komen être à l'heure /être exact het moment is echt daar om weg te gaan grand temps de partir soms de temps à autre / de temps en temps af en toe, soms de temps en temps (van vrouwen) niet ongesteld worden op het uitgerekende moment (en dus misschien zwanger zijn) avoir du retard weet u hoe laat het is? Avez-vous l'heure exacte? altijd à tout moment op een later, nog niet bepaald moment en temps voulu
  • deel van de opeenvolging van momenten temps mannelijk période vrouwelijk lange/geruime tijd assez longtemps de uren en dagen dat je niet werkt loisirs je tijd is voorbij Il ne te reste plus de temps. in de periode dat Filips de Schone aan de macht was à l'époque de Philippe le Bel achterhaald, ouderwets zijn être passé de mode modern zijn être à la mode/page
  • taalkunde rijtje van werkwoordsvormen die het heden, verleden of toekomst aanduiden temps mannelijk de verleden tijd le passé de toekomende tijd le futur de werkwoorden 'hebben','zijn' en 'zullen' les auxiliaires de temps